Wij treden de grote vastentijd binnen als een tijd van vernieuwing en innerlijke waakzaamheid, waarin de Kerk ons uitnodigt tot een ontmoeting met de Heer die de vreugde in ons hart vernieuwt.
Zoals bij de bruiloft te Kana in Galilea kan de vreugde aanwezig zijn, maar kan de wijn opraken, om ons eraan te herinneren dat ware vervulling niet afhangt van wat wij bezitten, maar van de genade van God.
De moeder van Jezus zag de nood en veroordeelde niemand, maar legde die eenvoudig voor de Heer neer.
Zo nodigt de vastentijd ons uit om eerlijk voor God te staan en te zeggen: hier is het hart vermoeid en is de vreugde verdwenen.
Wij bieden Hem onze zwakheid aan, in vertrouwen dat Hij die kan omvormen tot genade en nieuw leven.
Vasten is niet enkel onthouding van voedsel, maar een oproep om onze relatie met God en met anderen te herstellen.
Het herinnert ons eraan dat voedsel een gave is en dat overdaad het hart kan leegmaken en verdeeldheid kan zaaien.
De vastentijd leert ons ook respect te hebben voor de verschillen tussen mensen, zonder te oordelen of te minachten.
Wij eten en vasten met dankbaarheid en liefde en vermijden twist, jaloezie en afgunst.
De apostel Paulus roept ons op de werken van de duisternis af te leggen en het wapenrusting van het licht aan te trekken.
Wij leggen woede en egoïsme af en bekleden ons met liefde, barmhartigheid en vergeving.
Wanneer wij de Heer Jezus Christus aandoen in ons dagelijks leven, wordt onze zwakheid tot kracht, onze armoede tot genade, en ons leven tot blijvende vreugde.